Algemeen | Boren | Ruimen | Draadsnijden | Frezen | Volhardmetaal | Vragenlijsten

Boren: De dwarssnijkant en zijn werking

Vanwege de stabiliteit is een boor zo geconstrueerd, dat de zieldikte van de punt naar de schacht toeneemt. Gezien de dwarssnijkant niet verspaant doch het materiaal vervormt neemt deze normaal gesproken al 70% van de totale boordruk voor zijn rekening. Indien de boor enkele malen geslepen is, zal de dwarssnijkant groter worden en de boordruk alleen maar toenemen. Teneinde de boordruk te verminderen is het raadzaam om de boorpunt uit te dunnen. De dwarssnijkant moet echter ook niet zo klein worden dat de boorpunt verzwakt.

 

 

 

 

 

 

Aanbevelingen voor het uitdunnen van de boorpunt.
Voor staal, gietijzer en dergelijke materialen mag de dwarssnijkant niet kleiner zijn dan:
0,1 x de diameter van de boor. Voor lichtmetaal en messing mag deze niet kleiner zijn dan:
0,07 x de diameter van de boor.

 

 

De boordruk is tevens te verminderen door kleiner voor te boren. De voorboordiameter mag echter nooit minder zijn dan ca. 70% van de dwarssnijkant. Indien de voorboordiameter groter is dan de dwarssnijkant raakt de boor zijn axiale krachten en centrering totaal kwijt. Hierdoor zal de boor als een soort kurkentrekker het materiaal binnentreden wat tenminste driekante gaten tot gevolg heeft en in het ergste geval zullen de snijkanten uitbreken tot zelfs het los raken van de boor uit zijn opspanning.

 

 

Opruimboren.
Wanneer er toch geboord moet gaan worden in reeds bestaande gaten, dient men gebruik te maken van zogenaamde opruim- of drielippenboren. Dit type boor bezit 3 of meer snijkanten waardoor een betere rondloop-nauwkeurigheid in voorgeboorde gaten verkregen wordt. Hiermee voorkomt men het onstaan van driekante gaten. Bovendien is het met een opruimboor mogelijk om de positie van het gat nog enigzins te corrigeren.